Creeer je eigen markt

Unfortunately this text is only available in Dutch


Er wordt veel gesproken over de positieverschuiving van de architect binnen het bouwproces. Hierin stelt deze zich vaak op als slachtoffer van een verhardende economie, belichaamt door grote ontwikkelaars. De angst is dat zijn creativiteit wordt ingeperkt ten behoeve van het inspelen op de marktvraag. Het is een discussie die architecten vooral onderling voeren, waardoor een kritische weerklank vanuit de praktijk niet wordt gehoord. Vaak blijken jonge architecten niet sterk te staan in relatie tot ontwikkelaars en deze te zien als een opponent waar tegen gestreden moet worden. Daarom is denk ik het antwoord op de vraag waarom de architect aan invloed inboet voordehandliggend.



Dit bleek ook uit de discussieavond met de naam “New Deals” die door de BNA in samenwerking met Vloer 12 op woensdag 14 januari was georganiseerd.
Hiervoor waren drie prominente opdrachtgevers uitgenodigd om meer inzicht te geven in hun vak, hun ambities en toekomstvisie. Friso de Zeeuw, directeur van Nieuwe Markten Bouwfonds, Peter Hoogvliet, directeur van Vestia Den Haag Scheveningen en Martin Aarts, inhoudelijk hoofd R.O. van dS+V Rotterdam gaven een presentatie van hun manier van werken.



Friso de Zeeuw startte met de ´bemoedigende´ woorden dat volgens hem de impact van de economische crisis heel fors zal worden, maar dat juist nu de jongere architecten de mogelijkheid hebben nieuwe terreinen te verkennen. Eén van de huidige succesformules in de stedenbouw en planning is integrale gebiedsontwikkeling, waarin vele actoren meespelen in het proces. In de praktijk ziet De Zeeuw dat veel architecten niet in staat zijn dergelijke complexe procesvormen te vatten en ook hele andere ideeën hebben dan marktonderzoek uitwijst. Hij spreekt de architect er op aan zich niet te veel terug te trekken in een creatief elitairisme waarin innovatie te veel is gericht op vormgeving en niet op financiële of procesmatige zaken. Hij geeft een uitéénzetting van voorbeelden waarbij het vooral gaat om klantgerichtheid met steeds meer specificatie in de woningmarkt. Mensen willen identiteit, functiemenging, inpassing in de omgeving en goede beleving van de openbare ruimte. Dit zijn eigenlijk vrij algemene zaken die op geen enkele manier een vrijheid in vormgeving in de weg hoeven te staan.
De Zeeuw´s belangrijkste boodschap aan architecten is dat het hun taak is grip te krijgen op de complexiteit van veel plannen, dat er geen afstand wordt genomen van het alledaagse en dat, als geluisterd wordt naar de wens, hieraan heel goed een eigen invulling gegeven kan worden. Hij weet dit mooi te vertalen in de zin: “Je geeft de opdrachtgever iets waar hij niet om heeft gevraagd, maar herkend als datgene dat hij wilde hebben”.



Aansluitend op dit verhaal gaat Peter Hoogvliet verder door een gedetailleerder beeld te scheppen over veranderingen in de markt. Hij merkt op dat inspelen op leefstijlen en het hergebruik van gebouwen aan populariteit winnen, en dat particulier opdrachtgeverschap en bewonersparticipatie aan het verdwijnen zijn. Er is een tendens dat door het nemen van minder risico´s aan de kant van banken, de projecten kleiner worden (als ze nog gebouwd worden), er vaker een combinatie van functies wordt aangebracht en er een langere doorlooptijd komt. Op het eerste oog lijkt dat de ruimte voor de architect nog krapper wordt, maar de vraag moet juist gesteld worden of de beroepsgroep niet zélf meer de markt kan beïnvloeden, zelf een markt kan creeën.
Belangrijk is volgens Hoogvliet dat architecten blijven doen waar ze in geloven, hun aansluiting met de realiteit verstevigen, niet de trends volgen, en realiseren dat de ´jonge architect´ niet bestaat. Hier doelt hij op het imago versus de markt: je krijgt geen project omdat je jong bent, maar omdat je weet waar je het over hebt.



Martin Aarts toont, in een animerende slotlezing, initiatieven en ontwikkelingen in Rotterdam, waarbij de achterliggende gedachte is dat er juist nú veel kansen liggen om bijzondere projecten te realiseren. Hij bekrachtigd dit met de kreet: “Think global, act local”. Voor hem is de klimaatverandering bijvoorbeeld een thema dat nieuwe denkvormen over de stad genereert. Binnen Rotterdam streeft hij naar een consequent gebruik van het concept ´waterstad´ en dat zo veel mogelijk projecten worden gerealiseerd in relatie met het water. Niet proberen te concurreren met andere steden die een hele andere genius loci en geschiedenis hebben maar focus op je eigen kwaliteiten.
Hij sluit af door drie aspecten van de positie als ontwerper te verduidelijken; namelijk dat je onderdeel bent van diezelfde wereld als waar je voor ontwerpt, dat goed kunnen samenwerken met veel partijen essentieel is, en dat een stedenbouwkundig plan niet moet worden gezien als blauwdruk, maar een aanzet. Dit laatste betekend dat architecten hierin nieuwe visies kunnen ontwikkelen om daarmee de situatie naar hun hand te zetten.



De avond gaf een hoop diverse aandachtspunten waarmee de veranderende markt betreden kan wornen. Maar staat de architect hierin alleen of zijn er parallellen met de ontwikkelingswereld? Ook wordt het vak van de ontwikkelaar als gevolg van decentralisatie en toegenomen marktwerking beïnvloedt. In de economische wereld zijn krachten actief die opnieuw in de bedrijfsvoering moeten inbedden. Waar Friso de Zeeuw en Peter Hoogvliet bijvoorbeeld naar streven is een grotere controle over de allereerste fases in de ruimtelijke planning, met andere woorden, meer invloed op overheidsniveau. Dit krijgt er de schijn van dat, naast interne conceptbureau´s, ontwikkelaars nu ook de besluitvorming in handen willen krijgen en daarmee een volledige controle van de markt nastreven. Echter hier kan volgens mij voor architecten weer de ruimte ontstaan om de gewenste shift naar voren in het proces te maken. Juist door een goed begrip van de markteconomie om zo weer meer controle over het hele ontwerptraject te krijgen. Wij willen dit, en de projectontwikkelaar uiteindelijk ook.